Hoe plan je een duurzaam waterbeheerplan als je de toekomst niet kunt voorspellen? Op 20 juni 2013 promoveerde Marjolijn Haasnoot aan de Universiteit Twente op “Anticipating Change: Sustainable Water Policy Pathways for an Uncertain Future”, het proefschrift waarin de methode Dynamic Adaptive Policy Pathways (DAPP) werd ontwikkeld, inmiddels een standaardbenadering binnen het Nederlandse Deltaprogramma.
De kern
De centrale vraag van het onderzoek: hoe kunnen we adaptatiepaden verkennen om een duurzaam waterbeheerplan te maken voor rivierdelta’s, rekening houdend met onzekerheden over de toekomst? Haasnoots uitgangspunt is dat bestaande langetermijnplanning vaak uitgaat van één vastgesteld eindbeeld in de toekomst, terwijl de werkelijke uitdaging is om een plan te maken dat robuust is onder onzekerheid én zich gaandeweg kan aanpassen aan onvoorziene omstandigheden.
Methode
Het onderzoek (gepromoveerd aan de Universiteit Twente, promotoren E. van Beek en H. Middelkoop) bestaat uit drie onderdelen: het ontwikkelen van een methode, het testen ervan in twee case studies, en het evalueren van de resultaten. Eerst reflecteerde Haasnoot op zes decennia scenariogebruik in waterbeleidsstudies voor de Rijn-Maasdelta (hoofdstuk 2): scenario’s bleken bruikbaar om te leren over mogelijke effecten en de effectiviteit van maatregelen, maar de methode werd nog niet volledig benut voor robuuste besluitvorming onder onzekerheid.
Vervolgens werd een conceptueel raamwerk getest in een hypothetische case, de “Waas” (hoofdstuk 4), geïnspireerd op de Waal. Met een snel Integrated Assessment MetaModel (IAMM) werd de prestatie van beleidsmaatregelen doorgerekend voor een groot ensemble van transiënte scenario’s, tijdreeksen van trends, gebeurtenissen en beleidsreacties, in plaats van één vast eindscenario. Op basis van die ervaring werd het raamwerk verder ontwikkeld en gecombineerd met elementen van Adaptive Policy Making tot de uiteindelijke DAPP-methode (hoofdstuk 5). Tot slot werd de methode getoetst in een praktijkcase geïnspireerd op het Nederlandse Deltaprogramma, met een speciaal ontwikkeld Rijn-IAMM (hoofdstukken 6 en 7). Een vast tijdshorizon hanteert het onderzoek niet, de kracht van de methode is juist dat ze bruikbaar is over meerdere tijdschalen tegelijk, van korte-termijnbeslissingen tot eeuwlange adaptatiestrategieën zoals gehanteerd in het Deltaprogramma.
Kernconcepten van DAPP
- Transiënte scenario’s: geen vaste eindbeelden, maar tijdreeksen van trends, gebeurtenissen en beleidsreacties die elkaar over tijd beïnvloeden.
- Adaptation tipping point (knikpunt): het moment waarop een bestaande maatregel niet langer aan de gestelde prestatienormen voldoet en een nieuwe maatregel nodig is, de “houdbaarheidsdatum” van een maatregel.
- Adaptatiepadenkaart (metro-map): een overzicht van alle mogelijke routes van maatregelen na een knikpunt, gepresenteerd als een metrokaart, waarbij elke route aan minimale prestatie-eisen voldoet maar verschilt in kosten en baten.
- Signposts en triggers: monitoringsindicatoren die aangeven of en wanneer aanpassing van het plan nodig is, zodat opties voor de toekomst openblijven zonder voortijdig dure keuzes te maken.

DAPP versus backcasting en roadmapping
DAPP onderscheidt zich van backcasting en roadmapping vooral in wat het openlaat. Backcasting begint bij een enkel, normatief gekozen toekomstbeeld (bijvoorbeeld “in 2050 is de delta klimaatbestendig”) en redeneert vandaaruit terug naar de stappen die nu nodig zijn. Dat werkt goed als er consensus is over welke toekomst wenselijk is, maar Haasnoots uitgangspunt is juist dat die consensus er bij rivierdelta’s en klimaatadaptatie niet is: de toekomst is onzeker, niet alleen onwenselijk of wenselijk. Roadmapping legt op zijn beurt meestal een vaste route naar een doel vast, met mijlpalen op een tijdlijn, maar bevat doorgaans geen ingebouwd mechanisme om die route tussentijds te wijzigen als de werkelijkheid anders loopt dan voorzien: een roadmap wordt aangepast wanneer daar aanleiding toe is, niet volgens een vooraf ontworpen beslismoment.
DAPP combineert elementen van beide, maar voegt er iets aan toe dat ontbreekt in de klassieke versies: het houdt bewust meerdere routes tegelijk open (de adaptatiepadenkaart bevat verschillende opeenvolgende maatregelen, niet een enkele) en koppelt de keuze tussen die routes aan vooraf vastgestelde signposts en triggers, meetbare indicatoren die aangeven wanneer een knikpunt daadwerkelijk bereikt is. Daarmee is de omschakeling van het ene naar het andere pad geen ad-hoc bijstelling zoals bij een roadmap, maar een ingebouwd onderdeel van het plan zelf. En anders dan bij backcasting hoeft er vooraf geen overeenstemming te zijn over welke toekomst het meest wenselijk is: DAPP werkt met meerdere plausibele, “transiente” scenario’s naast elkaar en stelt de definitieve keuze voor een langetermijnroute uit tot het moment dat monitoring daar aanleiding toe geeft.
Van proefschrift naar praktijk
DAPP is inmiddels verankerd in het concept van adaptief deltamanagement van het Nederlandse Deltaprogramma. Hoe actueel de methode nog is, bleek in januari 2023, toen Haasnoot samen met collega Rutger van der Brugge (Deltares) de Toekomstacademie van het College van Rijksadviseurs onderwees in knikpunten en adaptatiepaden. Deelnemers van onder meer het Rijksvastgoedbedrijf, de ministeries van BZK en LNV en waterschappen oefenden in “het grote adaptatiepadenspel”: met drie meter zeespiegelstijging in 2100 als lange termijndoel, tekenden zij zelf adaptatiepaden en reageerden op gebeurtenissen als een dijkdoorbraak in 2067 of droogte in het oosten van het land.
Interessante observaties voor toekomstverkenners / voor de database
DAPP is methodologisch bijzonder omdat het geen narratieve scenario’s oplevert, zoals de Dator-archetypen of de Cultural Theory-kwadranten die op deze site vaak worden gebruikt om scenariosets te duiden, maar een besluitvormingstechniek die juist over meerdere scenario’s heen werkt. In plaats van te kiezen tussen scenario’s, test de methode elke mogelijke maatregel tegen een heel ensemble van transiënte toekomsten en brengt in kaart wanneer die maatregel “opraakt”. Dat maakt DAPP een goede aanvulling op scenariostudies eerder dan een vervanging: de scenario’s leveren de onzekerheden, DAPP levert het handelingsperspectief.
Interessant is ook de link met perspectieven op waterbeheer: Haasnoot werkte in 2011 samen met Astrid Offermans en Pieter Valkering aan “A method to explore social response for sustainable water management strategies under changing conditions”, waarin de fysieke adaptatiepaden-benadering wordt gecombineerd met Offermans’ Perspectives Method, gebaseerd op Cultural Theory. Die combinatie laat zien dat een technisch robuust adaptatiepad niet vanzelf ook maatschappelijk robuust is, een thema dat op deze site verder wordt uitgewerkt in de bijdrage over Offermans’ proefschrift. Ook sluit DAPP aan bij de Deltares-verkenning naar adaptatiestrategieën uit 2019, die vier oplossingsrichtingen naast elkaar zet zonder een voorkeur uit te spreken, precies de openheid die de DAPP-aanpak methodologisch beoogt te ondersteunen.
